COLUMNS
Scroll Up
Drag to Scroll Up/Down
Scroll Down
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
» 
Piet Buter
'Zeg scheids'

 

12 juli 2011

Op Hemelvaartsdag heb ik aan een zeven-tegen-zeven-toernooi meegedaan. Wedstrijden op een half veld dat nu zelfs ook al te groot voor me wordt. Achttien teams deden er mee en de meesten konden er niet veel van, maar mijn team was het allerslechtst van allemaal. En in dat team was ik dan weer de slechtste speler. Gelukkig deed mijn oudere broer, heel sympathiek, verwoede pogingen om nog slechter te zijn dan ik, maar omdat hij zichzelf veelal als wisselspeler opstelde richtte hij minder schade aan.

 

Toch heeft het voordelen om zo te eindigen als voetballer want nu ik over de zestig ben, word ik opeens mild. Normaal zouden vier flinke nederlagen op een dag mijn humeur voor langere tijd verpesten. Nu niet, want ik kon werkelijk niemand de schuld geven. Dat kun je trouwens niet maken als je zelf nauwelijks een bal recht vooruit krijgt. Zelfs ben ik niet boos geworden op onze spits die zonder enige vorm van techniek toch elke bal direct op goal schoot. Nou ja, als ie de bal tenminste raakte. Dat was overigens meestal niet het geval en lukte het wel, dan kwam de bal niet eens in de buurt van de goal. Ze zijn ook wel klein hoor die goaltjes van de junioren... Hoewel niet voor onze keeper, want in wedstrijdjes van twintig minuten waren vijf tegengoals ons positief record. Op een gegeven moment dreigde er een bal naast onze goal te verdwijnen maar met een miraculeuze duik wist onze keeper de bal alsnog in eigen doel te werken! Vroeger was mijn commentaar meedogenloos en vlijmscherp geweest, nu keek ik het hoofdschuddend aan.

 

Zelfs de scheidsrechters, normaal middelpunt van mijn hoon en spot, heb ik verbaal met rust gelaten. Bijna dan tenminste, want we hebben er een gehad die in de twintig minuten niet een keer heeft gefloten. Het begin van de wedstrijdjes werd vanuit de omroepinstallaties geregeld: "Heren scheidsrechters, u kunt beginnen!" Als het er, Godzijdank, weer op zat klonk een centrale zoemer. Dus nadat we twintig minuten gevoetbald hadden zonder ook maar één fluitsignaal, kon ik het niet laten om te zeggen: "Zeg scheids, prima gefloten!" Geweldig dat ze er zijn op dit niveau, die scheidsrechters, maar om dat te doen op zo'n fraaie Hemelvaartsdag moet je wel een erge hekel aan je vrouw hebben, hoor.

 

Nee, dan was ik vroeger scherper. We hadden toen regelmatig scheidsrechter Schaap en als we in de spelerstunnel klaar stonden met scheidsrechter Schaap voorop om het veld op te gaan zei er altijd wel een van mijn spelers op mekkerende toon: "Prehehehehttige wehehehedstrijd." Woedend draaide Schaap zich om, waarop ik als verantwoordelijk trainer onmiddellijk een onschuldige tegenstander tot de orde riep: " Hé joh, zoiets kun je niet maken, dat doen we hier niet!" Mijn spelers stikten van het lachen, de tegenstander wist niet wat hen overkwam en Schaap was weer tevreden.

 

Ik geloof dat het René van der Gijp was die het nog erger maakte. De scheidsrechter dreigde een wedstrijd te staken omdat het publiek in massale spreekkoren meedeelde dat zijn moeder een vrouw van lichte zeden was. Dit pikte de scheidsrechter natuurlijk niet, waarop Van der Gijp zei: "Zeg scheids, doe nou voorzichtig, want als 15.000 mensen het zingen zal er toch wel iets van waar zijn?"

 

Het mooiste verhaal, wat mij betreft, komt echter weer uit Engeland. Stan Bowles was in de jaren zeventig een geweldige spelbepaler bij Queens Park Rangers. Maar hij was ook een zeer ondeugende speler en had werkelijk maling aan alles en iedereen. Tot een kwartier voor aanvang was hij nog te vinden in het wedlokaal naast het stadion en na afloop van weer een geweldige wedstrijd zat hij eerder in de pub tegenover het stadion dan de meeste supporters. Ondanks zijn enorme talent speelde hij maar vijf keer voor het Engels elftal. Goed, op een zekere dag had een scheidsrechter een echte off-day. Dat wisten alle spelers, het publiek en de scheidsrechter zelf ook. Vlak voor tijd was er een blessurebehandeling en ging Stan Bowles even naar de scheidsrechter met de volgende vraag: "Zeg scheids, wat gebeurt er als ik zeg dat je een eikel bent?" "Ja, Stan," antwoordde de scheidsrechter wat benepen, "dan moet ik je de rode kaart geven en van het veld sturen." "O," zei Stan, "en als ik nu denk dat je een eikel bent?" "Tja," antwoordde de scheidsrechter nu helemaal onzeker, "daar kan ik niets aan doen, je mag denken wat je wilt." "Dat is mooi," sprak een glimlachende Stan, "want ik denk echt dat je een enorme eikel bent!"

 

Piet Buter